In de geestelijke gezondheidszorg gaapt een forse kloof tussen wetenschappers en behandelaars. Het onderzoeksprogramma ‘Geestkracht’ wil bruggen bouwen.
Wetenschappelijk onderzoek en geestelijke gezondheidszorg zijn van oudsher niet de allerbeste vrienden. De relatie, erkent Jozien Bensing, directeur van het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL) en hoogleraar gezondheidspsychologie aan de Universiteit Utrecht, is weerbarstig.
De moeizame verhouding is vanuit beide kanten goed te verklaren, meent Bensing.
‘In het academische onderzoek geldt de gerandomiseerde, gecontroleerde klinische trial als de gouden standaard. Wetenschappers willen reproduceerbare uitkomsten, op basis van een patiëntenbestand dat niet is ‘vervuild’ met proefpersonen met ook nog allerlei andere klachten. Dus hanteren ze strenge criteria, die ervoor zorgen dat een homogene groep proefpersonen tot de onderzoeksgroep wordt toegelaten. Het eindresultaat is een duidelijk uitkomst die kan worden vertaald in heldere richtlijnen voor de behandeling van een bepaalde ziektecategorie, zoals depressie.’
‘Hulpverleners daarentegen hebben te maken met de praktijk, die vooral wordt bepaald door veel praten en het opbouwen van een relatie met individuele patiënten. Zij zien dat zestig tot tachtig procent van de depressiepatiënten óók andere klachten heeft, zoals angststoornissen en lichamelijke klachten. De richtlijnen spreken daar nauwelijks daarover. En dus zijn behandelaars weer aangewezen op hun eigen gevoel en ervaring om te bepalen wat de beste behandeling is.’
Het gevolg, zegt Bensing, is twee beroepsgroepen die elkaar met diepe scepsis bekijken. ‘De mensen in de praktijk hebben het gevoel dat ze uiteindelijk niets hebben aan al dat fundamentele wetenschappelijk onderzoek. En de academische wereld meent dat er in de hulpverleningspraktijk te vaak maar wat wordt aangeklooid.’
In 1999 constateerde ook de Raad voor het Gezondheidsonderzoek (RGO) dat de twee werelden dermate waren versnipperd en uit elkaar gegroeid dat ingrijpen geboden was. Hulpverleners moesten wetenschappelijker in hun benadering worden, universitair onderzoekers moesten zich meer gaan afvragen hoe hun resultaten kunnen worden toegepast. De gapende kloof tussen theorie en praktijk moest overbrugd.
Resultaat van dat advies was het onderzoeksprogramma Geestkracht, dat twee jaar geleden van start ging. Een programma, zegt Margriet van Rees, teammanager van een reeks onderzoeksprogramma’s bij subsidieverdeler ZonMw, dat binnen de geestelijke gezondheidszorg alleen al uniek is wegens zijn omvang en duur.
‘We hebben als sector minder tamtam gemaakt dan bijvoorbeeld het Nationaal Regieorgaan voor Genomics,’ zegt Van Rees, ‘maar het gaat wél om 24 miljoen euro, gegarandeerd over een periode van tien jaar.’
Iets meer dan de helft van dat geld gaat naar drie ‘consortia’ – samenwerkingsverbanden van bestaande onderzoeksgroepen, vanaf het begin aangevuld met vertegenwoordigers uit zorginstanties en patiëntenorganisaties. De academische centra werden gelokt met forse subsidies en de kans om grote aantallen patiënten over een lange periode te volgen; de zorgcentra krijgen onderzoek dat beter is toegesneden op hun praktijk.
Drie samenwerkingsverbanden overleefden de selectie door een commissie van nationale en internationale deskundigen, en kunnen de komende jaren hun onderzoeksthema’s grondig aanpakken. Het consortium dat zicht richt op ‘Kinder- en jeugdpsychiatrie’, bijvoorbeeld, selecteert momenteel duizenden jonge kinderen die gedurende lange tijd zullen worden gevolgd. De twee andere consortia zijn grote en lange-termijnonderzoeken gestart onder de thema’s ‘Angst en depressie’ en ‘Psychose en schizofrenie’.
Nu al is de beoogde vermindering van de versnippering geslaagd, vindt Van Rees. ‘Iedereen heeft elkaar opgezocht, en dat heeft drie stevige bolwerken opgeleverd.’ Die stevigheid zullen de drie consortia ook nodig hebben wanneer ze, vanaf 2012, op eigen kracht de strijd om nieuwe subsidiestromen moeten aanbinden.
De bolwerken zijn niet de enige die uit Geestkracht mogen putten. Een speciale pot is gereserveerd om zorginstellingen hun eigen, uit de praktijk opborrelende onderzoeksvragen te laten aandragen. De GGZ Midden-Overijssel, bijvoorbeeld, mag zelf gestructureerd gaan onderzoeken hoe bruikbaar de bestaande richtlijnen voor de behandeling van angststoornissen in een doorsnee kliniek nu eigenlijk zijn.
De laatste hap van de 24 miljoen is gereserveerd om tientallen psychologen en psychiaters uit zorginstellingen parttime promotie-onderzoek te laten doen aan een universiteit. ‘Zij zullen de bruggenbouwers bij uitstek moeten worden,’ zegt Van Rees – ‘met één been in de praktijk en één been in de wetenschap.’
De komende jaren zal regelmatig worden gecontroleerd of onderzoekers en hulpverleners inderdaad bruggen bouwen, en niet zichzelf terugtrekken op de eigen zijde van het ravijn. ‘De bedoeling is níet dat het blijft bij het gezamenlijk publiceren van wetenschappelijke artikelen,’ zegt Bensing. ‘Ik ben pas écht tevreden als ik straks op conferenties van iedereen hoor dat men er écht veel aan heeft gehad.’
ZonMw
Geestkracht is één van zeventig programma’s van ZonMw, een nieuwe organisatie die de krachten bundelt van de voormalige NWO-stichting Medische Wetenschappen (gefinancierd door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen) en de stichting Zon (subsidieverdeler voor het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport).
De reden voor de bundeling lag in het verlengde van het uitgangspunt van het programma Geestkracht: de behoefte aan ‘evidence based’ behandelmethoden brengt wetenschappelijk onderzoek en gezondheidszorg dichter bij elkaar en noodzaakt tot grotere coördinatie.
Met een budget van in totaal 24 miljoen euro is Geestkracht het grootste door ZonMw op poten gezette programma.