Menu Close

‘Vermoeidheid en defaitisme tasten onderzoekklimaat aan’

Prof.dr. M. Gruber neemt afscheid van de Universiteit 

Dertig jaar geleden trof prof. dr. M. Gruber bij aankomst in Groningen een maagdelijke zolder aan als toekomstig laboratorium Biochemie. Deze week wordt in het Paddepoelcomplex zijn buste onthuld, bij het afscheid van wat onder zijn hoogleraarschap uitgroeide tot een bloeiende vakgroep met tientallen medewerkers en studenten.
“Het is interessant om te zien hoe dat zich autonoom verder ontwikkelt, terwijl je zelf ten dele toch toeschouwer wordt.”

‘Everything has a History”, was de titel van de rede die Professor Max Gruber op 7 november uitsprak bij zijn afscheid van de Universiteit. Daarmee gaf hij aan dat de organisatie van chemische processen in levende organismen niet altijd even overzichtelijk en logisch verlopen, omdat ze zijn voortgekomen uit een lange geschiedenis van mutatie en selectie, kortom evolutie.

Maar de titel had ook kunnen slaan op het organisme dat Gruber zelf mee heeft helpen ontwikkelen: het Groningse laboratorium Biochemie, dat onder zijn leiding werd opgebouwd. Gruber zelf kwam in 1939 met zijn ouders uit Duitsland naar Nederland. Hij werkte korte tijd als laborant op het Laboratorium voor Fysiologische Chemie in Utrecht, waar de oorlog zijn opleiding tot analist echter onderbrak. Vier jaar lang zat hij gevangen, voor hij vlak voor de hongerwinter naar Amsterdam kon vluchten. Daar deed hij clandestien wat tentamens in de scheikunde, en studeerde uiteindelijk af in 1949.

Stal

Voor hij in 1952 promoveerde vroeg zijn leermeester prof. Westenbrink hem bij zich. (‘Ik was in de stal bezig, en zag er ontzettend vies uit, maar hij zei: kom toch maar”). Hij werd door prof. Arends, op dat moment werkzaam aan de Universiteit van Bandoeng, gevraagd»als hoogleraar in de Biochemie aldaar. “Toen schijn ik gezegd te hebben: ’Wat?!’, maar uiteindelijk heb ik dat aangenomen.”

In het Indonesische Bandoeng zette hij een nieuw laboratorium voor Biochemie op. Na een paar jaren kreeg hij vanuit Nederland alweer twee aanzoeken. De Groningse had zijn voorkeur, ”ten eerste omdat het een Faculteit Wiskunde- en  Natuurwetenschappen was, en ten tweede om dat ik hier iets heel nieuws op kon bouwen.” Voor hij in maart 1956 van start ging bezocht hij nog een half jaar de Verenigde Staten, om kennis op te doen over het meest moderne biochemisch onderzoek.

Het eerste laboratorium werd gebouwd op een verbouwde zolder. Latere uitbreidingen belandden in gebouwen aan de Bloemsingel, tot de Scheikunde zich uiteindelijk vestigde in Paddepoel. In die jaren groeide het laboratorium zelf enorm. Begonnen met een hoogleraar, een halve secretaresse en een paar studenten, omvat het nu een staf van 60 à 65 mensen.

Gruber: “De grote uitbreiding is eigenlijk na 1960 geweest. Het aantal chemie- en biologiestudenten nam sterk toe, terwijl ook de belangstelling voor biochemie bij die studenten veel groter werd. Bij de chemici is het percentage dat biochemie ging doen sindsdien constant gebleven, tussen de 20 en 25 procent. Bij de biologie is het lager, ongeveer 10 procent. Gemiddeld werken hier nu 50 à 60 studenten in het onderzoek.”

Isotopen

De biochemie bekijkt het leven op het niveau van het molecuul: de chemie van de levende cel. De laatste decennia heeft het vak zich internationaal, nationaal, en dus ook in Groningen sterk ontwikkeld. Een van de grote stimulansen daarbij was de ontdekking van het DNA-molecuul als drager van de erfelijke eigenschappen. “Maar je kunt zeggen dat, naast alles wat met DNA verband houdt, ook de ontwikkeling van moderne methoden een enorme stoot heeft gegeven. Wat bijvoorbeeld een enorme rol gespeeld heeft, is de opkomst na de oorlog van de radioactieve isotopen, waardoor je alle chemische verbindingen kon merken en volgen tot in de cel. Daarmee konden we definitief bewijzen dat in de cel de processen zich net zo afspelen als in de reageerbuis.

Maar ook de recombinant-DNA-techniek van de laatste tien jaar is erg belangrijk geweest. En doordat er tegenwoordig zo veel meer kan, heeft men ook meer durf. gekregen om nieuwe concepties-op te stellen. Vandaar dan ook de verschuiving die Gruber in zijn afscheidsrede aangaf: van het inwendige van de cel wordt de aandacht verlegd naar de interactie tússen cellen. “Als U bijvoorbeeld bij een rat tweederde van de lever wegsnijdt, groeit dat deel er betrekkelijk snel weer aan. Echter maar tot een zekere grootte. De oorzaak daarvan kan alleen zijn dat, zodra het orgaan die grootte bereikt heeft, de cellen elkaar zodanig beïnvloeden dat de groei ophoudt.”

De biochemie moet in Grubers ogen gezien worden als een brug tussen de biomedische en biologische wetenschappen enerzijds en de meer exacte scheikunde. “Het is een soort hereniging van dingen die in de vorige eeuw uit elkaar. zijn gegroeid. De grenzen van de biochemie zijn daardoor ook vervaagd: Waar houdt de biochemie op, en begint bijvoorbeeld de moleculaire genetica?”

Defaitisme

De wetenschap wordt belaagd, aldus Gruber in zijn afscheidsrede, door verschillende gevaren. Als eerste noemde hij daarbij de elkaar opvolgende bezuinigingsoperaties, hoewel bij Biochemie zelf de klappen tot nu toe nog wel meevielen; het is alleen moeilijker geworden om aan geld voor promovendi te komen.

Gruber: “Het tweede gevaar is de neiging om teveel te plannen, onderzoeksgebieden te verdelen. Er is teveel de mening dat je de ontwikkeling van een onderzoek kunt voorspellen. En helemaal erg wordt het wanneer men zegt: je moet vooral die dingen onderzoeken op een Universiteit die later veel nut kunnen hebben, want dàt is nou juist wat je niet weet.

Neem polio, een ziekte die ooit ontzettend veel kostte en leed veroorzaakte. Als U onderzoek had gedaan om iets aan polio te doen dan was er een of ander apparaat uitgekomen waarmee de slachtoffers wat aangenamer konden leven. Maar polio is verdwenen omdat iemand er in is geslaagd weefselcellen te kweken, zodat men later voldoende had voor het maken van een polio-vaccin.

Dat geldt heel algemeen voor de wetenschap: de dingen die de meeste toepassing vinden waren niet te voorzien. Die veronderstelling, dat je onderzoek kunt sturen, is heel gevaarlijk voor fundamenteel onderzoek.

Maar het grootste gevaar ligt in het vermoeid en moedeloos raken, in een zeker defaitisme. Dat tast een goed onderzoeks- en onderwijsklimaat snel aan. Gelukkig is daar bij de Groningse en Nederlandse Biochemici nog niets van te merken. Maar de voortdurende volstrekte onzekerheid waar we door de bezuinigingen onder moeten werken, die ontmoedigt mensen. Mij persoonlijk niet. Ik zeg altijd: ’dat komt wel goed op de een of andere manier’. Ik ben misschien wat optimistischer.”

Onsterfelijk

Ook over de toekomst van zijn vak is Gruber optimistisch: ”Vrijwel alle biochemici hebben een baan gevonden waar ze zich, laat ik het zo zeggen, in kunnen uitleven. Dat betekent dat ze gewild zijn in Nederland, en dat maakt het werken in de toekomst ook gunstiger.

Het onderzoek zelf kun je zoals gezegd niet voorspellen. Wie had het recombinant-DNA voorspeld? Maar de biochemie zal zich wel meer en meer uitbreiden, vooral naar dingen die op de organisatie van de expressie van de genetische informatie in het DNA slaan. En de toepassingen zullen navenant zijn; op een aantal. gebieden zal er een betere voedselproductie, maar ook een betere grondstoffenproductie kunnen komen.

Door de techniek van recombinant-DNA bijvoorbeeld kunnen we zoveel meer dingen aanpakken, dat de toekomst zeer boeiend wordt. Een probleem dat mij bijzonder interesseert is de differentiatie in de embryonale ontwikkeling. En op de wat langere termijn kunnen we iets meer te weten komen over het zenuwstelsel.

Langzamerhand beginnen we ook al iets meer te begrijpen van normale en abnormale groei, dus kanker. In de hele kwestie van het ontstaan van tumoren, wat natuurlijk een heel belangrijke zaak is, heeft het onderzoek wel dingen opgeleverd voor ons inzicht, maar voor een therapie nog weinig. De laatste tijd is er veel gewerkt met genen die, als je ze in de cel brengt, tumoren kunnen veroorzaken. Als je weet hoe zo’n oncogen werkt, krijg je enig idee waarom die cel opeens abnormale groei vertoont, waarom hij niet meer gaat differentiëren, en waardoor hij plotseling onsterfelijk wordt.”

Gedetailleerd

De laatste jaren deed Gruber zelf geen onderzoek meer, althans niet met z’n eigen handen. Vindt hij dat jammer? Gruber: “Ik vind het altijd leuk om met je eigen handen bezig te zijn, maar als je sommige handelingen niet meer kunt verrichten wordt het al moeilijker, en als je er ook nog voortdurend bij gestoord wordt moet je het helemaal niet meer doen. Maar op andere manieren ben ik natuurlijk wel betrokken bij het onderzoek.

Daarnaast komen alle studenten hun studie-indeling met mij bespreken. Dat kost vrij veel tijd, vooral omdat je op alle individuele gevallen wilt ingaan. Maar dat heb ik altijd graag gedaan.

Wat ook veel tijd kost is het aanvragen van subsidies en het beoordelen van andermans aanvragen. Wat dat betreft wordt er veel te gedetailleerd gewerkt. leder jaar worden alle aanvragen en rapporten bekeken, terwijl je dat eigenlijk om de 5 jaar even zou moeten doen, en het dan laten voor wat het is. De totale tijd die je erin steekt is, in verhouding tot de bedragen waar het om gaat, te groot.”

Sluitpost

“Ik heb hier in Groningen een hele goeie tijd gehad. Ik heb de mogelijkheid gehad iets helemaal zelf op te bouwen, en dat is enorm boeiend. Het interessante is om te zien hoe zich dat autonoom verder ontwikkelt. Tot op zekere hoogte probeer je nog wel wat bij te sturen, maar je wordt toch ten dele toeschouwer. Je weet natuurlijk nooit, en ik ben niet objectief, maar als ik kijk hoe het nu is, geloof ik dat het laboratorium gezond zal voortleven. Ons laboratorium heeft zowel lokaal, landelijk als internationaal veel intensieve contacten, en dat is voor een groot gedeelte de verdienste van de medewerkers. Men organiseert hier, en daar ben ik ook erg blij om, veel internationale symposia. Op die manier heb je het idee dat je niet geïsoleerd zit, maar echt mee doet.

Maar het zal wel belangrijk worden dat de Biochemie van het nodige materiaal voorzien wordt. Doordat gebruiksgoederen voor het onderzoek op de Universiteit altijd de sluitpost van de begroting vormen, komen wij in de problemen – en wij niet alleen hoor – met het aanschaffen van chemicaliën. Het zou beter zijn als het geld voor onderwijs en onderzoek primair staat en eerst veiliggesteld wordt.

Daarnaast hebben we in de jaren 60 heel wat apparatuur kunnen kopen, die nu is verouderd. We werken hier met apparatuur die eigenlijk al lang had moeten worden opgeruimd en vervangen door nieuwe. Op de een of andere manier houdt geen mens rekening met deze normale vervanging. U kunt soms nog eerder een heel nieuw en duur apparaat krijgen, dan doodgewone ’huishoudapparatuur’ vervangen van, laat ik zeggen, 10 à 20-duizend gulden per stuk. Het geldt niet alleen bij de biochemie hoor, maar omdat de biochemie zo gegroeid is zit ze naar mijn gevoel nog ongelukkiger dan een aantal andere gebieden.”