Voor iemand met zo weinig ervaring met Vindicat Atque Polit als ik, bestaat deze studentenvereniging vooral uit een opeenhoping van raadsels. Waarom worden 2000 mensen lid van een club die mij althans weinig te bieden heeft, wat gebeurt daar allemaal, en wat is er waar van de dingen die je er over hoort?
Een moment waarop die verbazing een jaarlijks hoogtepunt bereikt ligt omstreeks april, wanneer Vindicat haar Kroegbal organiseert. Plotseling worden de straten in de omgeving van de Grote Markt bevolkt door heren în rokkostuum, gearmd met zwaar opgemaakte en geparfumeerde dames in gewaagde avondjaponnetjes. Het terrasjespubliek, ook onbekend met dit soort vermaak, reageert verbaasd, onbegrijpend en soms een tikkeltje agressief.
lets waar de Vindicaters op hun beurt, als ze tenminste niet alleen lopen, weer een beetje van kunnen genieten.
Ik was dan ook blij met de uitnodiging om dit jaar het Kroegbalstuk te komen bijwonen, een toneelstuk dat vooraf gaat aan het eigenlijke Galabal van Vindicat Atque Polit. Dat wordt gehouden ter ere van de verjaardag van de vereniging. Een van de raadsels zou hiermee in ieder geval opgelost kunnen worden.
Als we ‘s avonds bij de Stadsschouwburg arriveren lijkt de juiste atmosfeer al aanwezig te zijn. Het is Koninginnedag, iedereen heeft vrij gehad, de zon heeft voor het eerst sinds jaren weer geschenen en niemand verbindt dit laatste feit met de kernramp duizend kilometer verderop.
Het roodfluwelen tapijt, de grote protserige schilderijen aan de muur en de enorme kroonluchters aan het plafond van de Schouwburg blijken een perfecte entourage te bieden voor de chique Galagebeurtenis.
Ons ietwat ongemakkelijk voelend – we lopen als enige mannelijke aanwezigen niet in zwart rokkostuum – drinken we een kop koffie, en zoeken de ons toegewezen plaatsen op het balkon van de theaterzaal op. Langzaam loopt ook de rest van de zaal, waar we nu van boven op neerkijken, vol; naast elke heer in ‘t zwart een dame met ontblote schouders of diep uitgesneden décolleté. Dames worden overigens voor dit feest officieel uitgenodigd door heren; alleen in schrikkeljaren is dat andersom.
Als het licht eindelijk op half gaat staan we binnen enkele minuten oog in oog met bijna geheimzinnige, voor een buitenstaander onbegrijpelijke rituelen van een studentenvereniging met rijke tradities. De cortège (“een soort optochtje”) begint, zo wordt mij later duidelijk gemaakt.
Achter in de zaal, voor ons balkonzitters niet zichtbaar, begint een jongen iets in het Latijn te declameren; zwijgend treedt een delegatie van het Utrechtse studentencorps binnen, gewapend met bossen bloemen. Voor in de zaal staat een meisje op, draait zich naar het publiek en zingt in haar eentje met onzekere maar luide stem het ‘lo Vivat’; ze is blijkbaar het enige aanwezige Utrechtse corpslid, en zingt dus ook alleen haar senaat toe.
Weer begint iemand te roepen. Nu wordt het echt spannend. “Senatus Illustrissimus Studiosorum Groningae”, klinkt het, en de Senaat van de vereniging treedt binnen, gevolgd door Rector Magnificus Prof.Dr. E. Bleumink en Collegevoorzitter Dr. J. Borgman.
Terstond staat het grootste deel van de aanwezigen op, en heft wederom, nu met z’n allen, het ‘lo Vivat’ aan, een oud dranklied, op veel corpora min of meer in gebruik als volkslied.
Ik voel me Günter Walraff, bezig met een nieuw boek over een tot nu toe onbekende sekte.
Nauwelijks heeft men de lange Latijnse tekst (“die leer je tijdens de introductie”) voltooid, of iemand zet ieltjes het Wilhelmus in. En, baas boven baas, nu gaat echt iedereen staan. Plechtig klinken de twee bekendste coupletten. Alleen over de inhoud van de laatste regels lijkt nog wat verschil van mening te bestaan.
Het toneelstuk, getiteld ‘God’, is geschreven door de bekende Amerikaanse komiek Woody Allen, en zoals al zijn werk in het Nederlands vertaald door Barbara van Kooten, beter bekend als Cock van der Laak. Volgens regisseuse Daniëla Beyer gaat het stuk kort samengevat over vraag: “In hoeverre is de mens verantwoordelijk voor zijn daden?’’. Maar, geeft ze in het programmaboekje onmiddellijk toe: “Woody Allen geeft hier niet direct antwoord op“. En dat is dan nog zwak uitgedrukt. Het stuk wordt gedomineerd door de gecompliceerde verweving van spel en werkelijkheid, een populair thema van Woody Allen, dat bijvoorbeeld ook in zijn film The Purple Rose of Cairo een grote rol speelt. Door kris kras door de verschillende niveaus van de werkelijkheid heen te vliegen, ontstaat een vaak grappig, maar wel zeer verwarrend geheel.
Na een introducerende sketch, waarin Allen over zichzelf droomt als miskend Grieks filosoof, zien we om te beginnen een oud-Griekse toneelschrijver, Hepatitis, en een acteur, Diabetes, die in diens stuk de hoofdrol zal moeten spelen. Zij hebben een probleem: hun stuk heeft geen einde.
Bij de oplossing daarvan beginnen de moeilijkheden voor het publiek: niet alleen bemoeit de bevriende Herpes zich ermee, ook Groucho Marx, een uit een ander stuk weggelopen actrice, een Amerikaans echtpaar, een postbode, en een in de Hema neergestoken vrouw duiken regelmatig op in de gebeurtenissen.
Maar om het nog ingewikkelder te maken: ook een Koning uit het Griekse stuk zelf, het koor dat in dat stuk functioneert als de verteller, een plotseling opduikende toneelschrijver die zelfs ons als Schouwburgpubliek bedacht beweert te hebben, de toevallig in de zaal zittende Marjan uit Haren, studente bij de Teleac-cursus filosofie, en tenslotte Woody Allen zelf trachten allen vanuit hun eigen plaats tussen waarheid en fictie de loop der dingen te beïnvloeden.
Het is duidelijk dat voor amateurs het op de planken zetten van zo’n ingewikkeld stuk, waarin bovendien veel spelers meerdere rollen voor hun rekening nemen, niet gemakkelijk is.
Misschien wordt het publiek daardoor nog ruwer door elkaar geschud dan het geval zou zijn geweest bij een opvoering door professionele acteurs. Gelukkig zit er ook veel humor in het geheel, niet het minst door de af en toe zeer komische vertaling van de oorspronkelijke tekst.
Maar het meest frappante is wel de treffende gelijkenis tussen het karakter van het stuk, en het gevoel dat de buitenstaander, op bezoek bij een Galatoneelstuk van Vindicat in de Stadsschouwburg, overvalt.
Want kijkend naar de serieuze gezichten waarmee de in rokkostuum en petticoat gehulde corpsleden hun jonge Rector verwelkomen, hun Latijnse liederen zingen en hun verouderde tradities koesteren, vraag je je af en toe ernstig af: is dit een spel, of is het werkelijkheid?
