Menu Close

Frontsoldaat tegen bioterreur

Epidemiologe Jennita Reefhuis dacht dat ze in de Verenigde Staten haar onderzoek naar de oorzaak van geboorteafwijkingen kalmpjes kon voortzetten. In plaats daarvan belandde ze in de frontlinie tegen een aanslag met biologische wapens. `Als je er middenin zit, is het gemakkelijker om nuchter te blijven.’

OP DE OCHTEND van 11 september 2001 zat Jennita Reefhuis in een zaal in Atlanta. Samen met haar 141 collega’s van de Amerikaanse Epidemic Intelligence Service (EIS) volgde ze er de wekelijkse werkbespreking. Op de agenda stonden de gebruikelijke punten — Salmonella-uitbraken, of clusters van onduidelijke ziektebeelden die ergens in de Verenigde Staten om het speurwerk van een detective uit deze vliegende epidemiologische brigade leken te vragen.

Kort na negenen ging echter achter haar een pieper over. Doug Hamilton, hoofd van de EIS, leunde voorover, en toonde haar de mededeling op het kleine scherm: ‘Vliegtuig boort zich in WTC’.

Vrijwel onmiddellijk veranderde het anders zo rustige gebouw in een hectisch zenuwcentrum, herinnert Reefhuis zich. `Ieder van ons ging naar z’n computer, in afwachting van wat komen zou. Al snel flitsten de eerste mededelingen voorbij: wie er beschikbaar was om naar New York te gaan, ter voorbereiding op een mogelijke biologische aanval.’

Nog even probeerde Reefhuis de beker aan zich voorbij te laten gaan — juist de volgende week zou ze immers naar Nederland gaan, waar haar broer zou gaan trouwen. Daar had ze zich erg op verheugd. Maar al snel werd duidelijk dat ze die reis hoe dan ook op haar buik kon schrijven — bij de EIS werden alle verloven ingetrokken.

Zo begonnen voor Reefhuis twee tumultueuze maanden, die haar achtereenvolgens naar Washington, naar Florida en naar New Jersey brachten, midden in de frontlinies van wat de eerste serieuze strijd tegen een bioterroristische aanslag zou worden.

`Toen ik hier kwam, in juli vorig jaar, dacht ik voor een rustige richting te hebben gekozen,’ vertelt Reefhuis in haar kleine kamertje in het zwaarbewaakte EIS-gebouw. `Collega’s die uitbraken van bacteriële voedselvergiftiging onderzoeken, bijvoorbeeld, reizen voortdurend kriskras door het land. Mede daarom ging ik liever door op de lijn die ik in Nederland volgde: het analyseren van meldingen van geboorteafwijkingen, om te zoeken naar mogelijke oorzaken. Ik ben hier ook vooral om me op dat terrein verder te ontwikkelen: ervaring opdoen in het analyseren van geografische gegevens en het maken van kaarten die de spreiding van ziekten tonen. Natuurlijk, als je hier werkt weet je dat het theoretisch mogelijk is dat je wordt uitgezonden. Maar eerlijk gezegd had ik steeds aangenomen dat het mij niet zou gebeuren.’

De Epidemic Intelligence Service, onderdeel van de Centers for Disease Control and Prevention (CDC), werd opgericht in 1951. Tijdens de oorlog in Korea speurde de dienst naar aanwijzingen dat de vijand biologische wapens gebruikte. Dezer dagen wordt de dienst vooral bevolkt door jonge Amerikaanse artsen en onderzoekers die twee jaar ervaring willen opdoen met relatief eenvoudige epidemiologie: het registreren en analyseren van clusters van ziektegevallen, op zoek naar een gemeenschappelijke oorzaak.

Hoewel het in veel opzichten dus om een opleiding gaat, doen EIS-medewerkers soms belangrijk werk: begin jaren tachtig ontdekten zij bijvoorbeeld dat Amerikaanse homo’s plotseling ziek werden door wat later het aids-virus ging heten; de Hollywood-film Outbreak was gebaseerd op het heroïsche werk van EIS-detectives die te hulp waren geroepen om de eerste uitbraak van het ebola-virus in Afrika het hoofd te bieden.

Ook het rustige statistische onderzoek van Jennita Reefhuis werd onderbroken door een geheel nieuw verschijnsel: de plotseling realistisch lijkende dreiging dat terroristen biologische wapens op burgers zouden loslaten.

Reefhuis: ‘De eerste drie weken hier, afgelopen zomer, kregen we nog een korte introductiecursus. Twee dagen daarvan werden besteed aan bioterrorisme. Op dat moment vonden we dat als cursisten allemaal wat overdreven. Wat was nou de kans dat dát zou gebeuren?’

De cursusmap bewees echter goede diensten toen Reefhuis op 20 september naar Washington afreisde om, na de aanslagen op het WTC en het Pentagon, eventuele vervolgaanvallen met ziekteverwekkers snel op het spoor te komen.

`Ik kwam terecht bij het volksgezondheids-departement van Virginia, de staat waaronder de zuidelijke buitenwijken van Washington vallen. Daar had men al een methode in de kast staan om de toestroom naar eerstehulpposten van ziekenhuizen in de regio in de gaten te houden. Dat systeem was opgezet naar aanleiding van een grote vergadering van NAVO-landen, een paar jaar geleden. Veel grote Amerikaanse steden hebben tegenwoordig zo’n systeem op de plank liggen.’

`Mijn werk was om elke ochtend alle ziekenhuizen af te bellen om te vragen hoeveel patiënten zich de vorige dag met welke symptomen hebben gemeld: hoeveel mensen hadden koorts, hoeveel ademhalingsproblemen, hoeveel uitslag. Ik verzamelde de informatie en nam het door met bioterrorisme-specialisten op het CDC-hoofdkantoor in Atlanta. We voerden statistische analyses uit op de tabellen om te onderzoeken of er ‘vlaggen’ opdoken — onverwachte pieken ten opzichte van een week of tien dagen ervoor. Een plotselinge opleving van koorts en longproblemen zou bijvoorbeeld kunnen wijzen op een aanval met miltvuur. ‘s Middags zocht ik weer contact met de ziekenhuizen om te zien of er een onschuldige verklaring was voor de vlaggen, zoals een lokaal griepgolfje. Gemiddeld hadden we twee vlaggen per dag.’

‘Zo’n systeem van ‘syndroomsurveillance’ is op zich niet bijzonder — het is tamelijk basale epidemiologie. Het probleem is vooral dat het eerstehulpposten erg veel tijd kost om alle symptomen in logboeken bij te houden.’

Voor inwoners van Washington was het van levensbelang om te weten of een aanslag in bijvoorbeeld de metro redelijk snel zou worden opgemerkt.

`Ik denk wel dat we met dit systeem een aanslag in de metro zouden hebben opgepikt. Maar uiteindelijk ligt alles natuurlijk aan de ziekteverwekker en de manier waarop die wordt verspreid. Het hele systeem is nog erg in ontwikkeling, is mijn indruk. Een definitief antwoord op de vraag valt nog niet te geven.’

Hoe was het om, vers uit Nederland, in de Amerikaanse hoofdstad opeens de beroemde Centers for Disease Control and Prevention te vertegenwoordigen?

`Af en toe dacht ik wel: o jee, als ze me maar geen moeilijke vragen stellen. Ik was zelf nog maar net begonnen in Atlanta en ik weet lang niet alles. Maar mijn taak was niet om namens het CDC standpunten in te nemen of adviezen te geven. Ik was er voor het handwerk en om door mijn aanwezigheid te laten zien dat het CDC de zaak op de voet volgde. Als er vragen waren, kon ik die doorspelen naar deskundigen op het hoofdkantoor.’

`Een buitenlander heb ik me al die tijd weinig gevoeld. Ook anderen lieten daar niets van merken. Als je werkt voor het CDC zien mensen je waarschijnlijk toch automatisch een beetje als een Amerikaan.’

Nauwelijks terug na twee weken Washington, ging weer de telefoon. Strikt vertrouwelijk hoorde Reefhuis van haar baas dat zich in Florida daadwerkelijk een geval van miltvuur had geopenbaard — het was nog onduidelijk hoe de patiënt de bacterie had gekregen. Of ze onmiddellijk haar spullen wilde pakken, om in Tallahassee, de hoofdstad van Florida, de volksgezondheidsautoriteiten te helpen hun eerstehulpposten in de gaten te houden.

`Ik sloeg rood uit in mijn kantoortje. Ik mocht aan niemand vertellen dat ik naar Florida ging, zelfs niet aan mijn vriend. Dat was soms wel lastig. In het vliegtuig zat ik te babbelen met mijn buurman, en ik vertelde dat ik werkte voor de CDC. “Oh ja?”, vroeg hij. “En wat brengt u naar Tallahassee?” Toen heb ik maar iets verzonnen.’

`Een weekend lang heb ik daar op mijn hotelkamer zitten werken aan een grote Excel-spreadsheet. De bedoeling was dat men in Florida zelf de gegevens ging invoeren, en dat mijn spreadsheet vervolgens automatisch de verdachte vlaggen zou zetten. Op maandag en dinsdag heb ik het systeem afgeleverd en uitleg gegeven. In die periode nam ik ook deel aan de dagelijkse telefonische vergadering over het eerste miltvuurgeval. Daar was iedereen bij, van de FBI tot en met de directeur van de CDC. Toen dacht ik wel even: “Kijk mij nou.” ’

Hoe voelde het om in het hart van het wereldnieuws te zitten? Als de beslissende vlag in jouw spreadsheet was opgedoken, had dat overal op de voorpagina gestaan.

`Elke keer als ik wegging doorliep ik drie fasen. De eerste was opwinding: “Ik ga!” Dan zit je in het vliegtuig, en denk je: “Oh-oh, waar ben ik aan begonnen”. Maar als ik eenmaal bezig was, realiseerde ik me elke keer weet: ik weet wat ik doe, hier ben ik goed in. En de begeleiding van het CDC is heel goed — alles wat ik maakte werd in Atlanta goed nagekeken.’

Niet lang na terugkeer uit Florida kwam de derde en vooralsnog laatste missie voor Reefhuis: in New Jersey, vlakbij New York, had een postbesteller miltvuur gekregen, waarschijnlijk omdat brieven met miltvuursporen via het plaatselijke sorteercentrum naar New York en Washington waren gestuurd. Vier EIS-detectives, onder wie Reefhuis, stapten direct op het vliegtuig om uit te zoeken hoe ernstig de situatie precies was.

`In New Jersey was het, zeker in het begin, volslagen gekte. Echt ontzettend druk. Binnen een paar dagen moesten we uitzoeken welke postmedewerkers risico liepen, waar we ze konden bereiken, waar we ze samen konden brengen om ze te interviewen, te onderzoeken op sporen en antibiotica te geven. Werkelijk alles moesten we regelen, van ‘s morgens heel vroeg tot ‘s avonds laat.’

‘In New Jersey ontwikkelde ik me later tot het postmeisje: met de voorman van de sorteerders bezocht ik een vergelijkbaar sorteercentrum, en ik verdiepte me totaal in de ingewikkelde weg die een brief in zo’n fabriek aflegt en wie ermee in contact kan komen. Op basis daarvan besliste men in Atlanta welke medewerkers risico hadden gelopen.’

Kreeg je in die tijd bezorgde reacties uit Nederland?

`Ik belde regelmatig met mijn ouders. Ze waren wel bezorgd, maar niet overdreven. Ze zijn nogal nuchter — zolang ik maar goed op mezelf pas. En men past ook goed op mij. We kregen antibiotica mee om in te nemen zodra we dat wilden. Maar ik zag het nut er niet van in. Eén keer was ik in een ruimte die later op miltvuursporen getest werd. Als die test positief was, zou ik Cipro gaan nemen. Dat was wel een beetje spannend. Hij was negatief. Maar zelfs als hij positief was geweest, dan nog was de kans klein dat ik miltvuur kreeg. Niemand was nog ziek op die locatie. Er was geen reden om te verwachten dat ik, een gezonde jonge vrouw, dan wel ziek zou worden.’

Inmiddels zit je weer hier in Atlanta, in je eigen kleine kantoortje te werken aan de statistiek van geboorteafwijkingen. Hoop je nu stiekem dat je telefoon weer overgaat?

`Nee hoor, ik vind mijn eigenlijke werk nog steeds erg interessant. Het is ook uitdagender voor de hersenen. Reizen is wel hectisch en opwindend, maar uiteindelijk komt het neer op heel basale epidemiologie. Logische regressies berekenen of statistische ruimteanalyses maken vind ik dusdanig veel leuker, dat ik denk: dan maar wat minder reizen.’

Ben je banger geworden voor bioterreur? Durf je in gevaarlijke tijden nog de metro te nemen?

`Ik moet zeggen: ja, want hiervoor had ik er überhaupt nog nooit bij stil gestaan. Maar veel zorgen maak ik me niet. Ik denk niet dat de kans na 11 september groter is geworden. Ik heb ook nog nooit zo veel gevlogen als na die dag. Ik heb het me allemaal niet persoonlijk aangetrokken — ik denk dat ik redelijk objectief ben gebleven. Deels is dat omdat ik er zelf middenin zat: je weet precies wat er aan de hand is, je hebt niet de angst dat de autoriteiten je misschien niet alles vertellen. In die positie is het denk ik gemakkelijker om nuchter te blijven.’

Related Posts