Menu Close

Redders bedreigen bedreigde diersoort

OP HET LAATSTE nippertje hebben dierenartsen van een Amerikaanse dierentuin een mogelijk rampzalige hepatitis-epidemie onder de apen van de Braziliaanse regenwouden voorkomen. Vlak voordat elf tamarin-apen zouden worden verscheept naar hun nieuwe – natuurlijke – omgeving, bracht analyse van het bloed van één van hen antistoffen tegen een hepatitis-virus (HCV) aan het licht. Toen bovendien bekend werd dat dit virus ook via knaagdieren kan worden overgebracht, achtte men het risico te groot dat met de herintroductie van het dertig centimeter grote klauwaapje in zijn ‘natuurlijke omgeving’ een onbedoelde ramp voor andere aapachtigen in het gebied zou ontstaan.

Nachtmerrie

De gebeurtenis illustreert de groeiende bezorgdheid van biologen over de mogelijke gevolgen van programma’s om bedreigde diersoorten te herintroduceren in gebieden waarin ze van nature voorkomen. Een aantal uitgezette exemplaren van een kraanvogelsoort besmette de in het wild levende populatie met een tot dat moment onbekend herpes-virus. In plaats van bij te dragen aan het herstel, deelden de uitgezette vogels een gevoelige klap toe aan de natuurlijke populatie – de nachtmerrie van onderzoekers die alles doen om het uitsterven van de soort bijtijds af te wenden.

Het aantal herintroductieprogramma’s neemt snel toe. Naast het Braziliaanse tamarin-aapje zijn inmiddels vele tientallen soorten in kweekprogramma’s opgenomen.

Gedeeltelijk gaat het daarbij om soorten die in hun oorspronkelijke ‘habitat’ al volledig zijn verdwenen. De opgekweekte dieren moeten, eenmaal in het wild losgelaten, proberen opnieuw voet aan de grond te krijgen.

Maar ook diersoorten waarvan de wilde populatie alleen nog maar ernstig is uitgedund, komen voor herintroductieprogramma’s in aanmerking. In dat geval moet de operatie niet alleen het aantal dieren opvoeren tot een levensvatbaar niveau, maar moet het ook voorkomen dat door gebrek aan genetische variatie de toch al verzwakte groep door inteelt helemaal het loodje legt.

In de meeste introductieprogramma’s spelen dierentuinen een grote rol. Ze onderhouden bestaande kolonies, en proberen het aantal dieren in gevangenschap via kweekprogramma’s uit te breiden. Het opkweken van bedreigde diersoorten in dierentuinen is echter niet zonder gevaar. In de tuinen wonen honderden diersoorten op kleine afstand van elkaar, zodat de dieren bloot staan aan een bont spectrum van ziekteverwekkers en ziekte-overbrengers.

Dat scala wordt bovendien nog voortdurend uitgebreid, doordat ongevaarlijke virussen plotseling van aard veranderen, of doordat bestaande ziekteverwekkers nieuwe dieren vinden die zorgen voor de verspreiding. De dieren lopen dus een groot risico om drager te worden van een ziekte die in hun natuurlijke omgeving onbekend was. Het bij de tamarin ontdekte hepatitis-virus bij voorbeeld werd waarschijnlijk overgebracht via de muisjes die aan de aapjes werd gevoerd.

Om het risico tot een minimum te beperken worden de kolonies enkele maanden voor hun verscheping in quarantaine gezet. Gedurende die periode worden ze getest op de aanwezigheid van bij voorbeeld eitjes van parasieten, bekende virussen en genetische afwijkingen. Alle verdachte dieren worden daarbij verwijderd. Bij het tamarin-programma valt ongeveer vijftien procent van de dieren af voor de grote reis. Het probleem is echter dat de dieren alleen getest kunnen worden op een beperkte hoeveelheid bekende ziekten en afwijkingen. De kans dat dragers van onbekende virussen de dans ontspringen blijft levensgroot aanwezig.

Om de risico’s verder te beperken worden de tamarins ook in het oerwoud nog zes maanden apart gehouden van hun wilde soortgenoten, en nauwkeurig geobserveerd. Tot nu toe zijn daar, bij vijfenzeventig losgelaten exemplaren, nog geen ziektes geconstateerd. Maar, geeft een van de betrokken onderzoekers in het tijdschrift Nature toe, “we kijken alleen naar de tamarins. Niemand weet wat er intussen is gebeurd met de keverpopulatie in het regenwoud, om maar iets te noemen.”

Volgens de onderzoekers zou het risico pas werkelijk beperkt worden door de kolonies niet in dierentuinen, maar vlak bij de natuurlijke omgeving te huisvesten. De programma’s worden echter betaald met het geld dat bezoekers van de dierentuinen in het laatje brengen. Zonder de bijbehorende attractie zou die’ geldbron snel opdrogen.

Related Posts