De groeiende invloed van geld in Amerikaanse verkiezingen geeft belangengroepen een grote voet tussen de deur. Hun acties kunnen kandidaten maken of breken. Nu de fondsenwerving van politieke partijen is ingeperkt, zal de macht van maatschappelijke organisaties waarschijnlijk nog drastisch groeien.
Dagelijks stroomden de televisiereclames over het scherm — en dat al vele maanden voor de presidentsverkiezingen. De zich ‘onpartijdig’ noemende organisatie Citizens for Better Medicare beukte Amerikaanse kijkers murw met een eindeloze reeks waarschuwingen voor de desastreuze consequenties van voorstellen om medicijnen voor gepensioneerden voortaan door de overheid te laten inkopen. ‘Neem contact op met uw vertegenwoordiger in het Congres,’ besloot elk van de honderden spotjes, in een poging de gezaaide publieke onrust te oogsten als politieke winst.
Achter de façade van Citizens for Better Medicare ging een samenwerkingsverband schuil van vooral geneesmiddelen-fabrikanten. Bezorgd over Democratische wetsvoorstellen, die vermoedelijk de medicijnprijzen zouden doen dalen, spendeerden zij tientallen miljoenen dollars aan reclamecampagnes. Hoeveel ze precies uitgaven, en waar het geld vandaan kwam, werd niet geheel duidelijk — de Amerikaanse wet staat het maatschappelijke lobby-organisaties toe zulke gegevens geheim te houden.
Citizens for Better Medicare is maar een van de naar schatting meer dan 375 organisaties die in de Verenigde Staten fondsen werven om het politieke debat te beïnvloeden. Op bijna elk denkbaar politiek thema is wel een aantal organisaties actief.
Zoals de campagne van de farmaceutische industrie al laat zien, wortelt niet elke organisatie in brede lagen van de bevolking. Veel lobbyclubs, zoals de National Rifle Association (pro vuurwapens), de Human Rights Campaign (pro homorechten) en The Nature Conservancy (pro natuur en milieu), vullen bijdragen van kleine donateurs aan met grote giften van individuele miljonairs of bedrijven. Een klein deel is voor zijn fondsen volledig afhankelijk van leden — zoals de National Education Association, een vakbond voor 2,5 miljoen onderwijsgevenden.
Al die maatschappelijke organisaties tezamen vormen een indrukwekkende bedrijfstak, die draait om politieke invloed en geld. Van de naar schatting drie miljard dollar die voor de presidentsverkiezingen van 2000 werden verstookt, liepen honderden miljoenen via de bankrekeningen van lobby-organisaties — volgens schattingen twee keer zo veel als vier jaar ervoor. Ook de in het buitenland minder intensief gevolgde Congresverkiezingen zorgden vorig jaar voor financiële topdrukte. Alleen al de Sierra Club bijvoorbeeld, een middelgrote milieuorganisatie met 750.000 donateurs, gaf in totaal vijf miljoen dollar uit. Met dat geld werden reclamecampagnes bekostigd die milieuvriendelijke kandidaten aanprezen. Tegenstanders werden met harde kritiek gedwongen kleur te bekennen en zo in de verdediging gedrongen. Tientallen stafmedewerkers werden aan campagneteams van favoriete kandidaten uitgeleend. Een deel van het lidmaatschapsgeld werd zelfs rechtstreeks naar de campagnekassen van één of meer partijen doorgesluisd.
Ook buiten verkiezingstijd draait de lobbymachine op volle toeren. In 2001 spendeerden pressiegroepen alleen al in de regio-Washington 45 miljoen dollar aan televisie- en krantenreclame, becijferde het Annenberg Public Policy Center, met als doel actuele beslissingen van het Congres te beïnvloeden.
Tot nog toe verzamelden Democraten en Republikeinen zelf echter nog meer geld. Niet dat de partijen worden gesteund door grote aantallen leden — geen van beide heeft leden in de Nederlandse zin van het woord. Als ‘lid’ wordt beschouwd ieder die zich in het kiesregister inschrijft als ‘Democraat’ of als ‘Republikein’ of de partij financieel steunt — het land telt daardoor zelfs meer ‘partijleden’ dan kiezers. Wie kijkt naar het percentage Amerikanen dat wel eens een politieke bijeenkomst bezoekt, komt een stuk lager uit. Volgens de National Election Studies van de universiteit van Michigan is dit percentage sinds begin jaren tachtig gezakt van negen naar vijf procent.
De grootste politieke geldstroom kwam in 2000 nog van bedrijven en (rijke) individuen, vooral in de vorm van soft money, dat niet aan wettelijke maxima is gebonden. Maar nu die route dankzij de recente McCain-Feingold-wet sinds november jongstleden is afgesneden, zullen volgens deskundigen de gouden tijden voor maatschappelijke pressiegroepen pas echt aanbreken. Ook in de verkiezingen van 2004 zullen geldschieters miljarden dollars willen uitgeven om de uitslag te beïnvloeden — en campagnes van ‘onpartijdige’ one-issue-groeperingen zullen de enige weg vormen waarlangs zulke grote bedragen nog ongebreideld hun weg kunnen vinden naar de ogen en oren van kiezers.
De grote vraag wordt dus wie in 2004 de Amerikaanse verkiezingscampagne zullen domineren: politieke partijen of lobby-organisaties. Tv-kijkers doen er in elk geval goed aan de afstandsbediening tegen die tijd alvast klaar te leggen.
