“Schrijven is harder werken dan menigeen denkt; schrijven is zwoegen.” Aan het woord is Bob den Uyl, bekend Nederlands schrijver van korte verhalen. Hij kwam het einde van een workshop, getiteld ‘Vrij schrijven’, opluisteren. Die was georganiseerd door de USVA, de Universitaire Stichting Vormingsactiviteiten.
Tijdens de workshop was het volgens de advertentie in de UK “de bedoeling dat de deelnemers gaan zien hoe leuk het kan zijn om creatief te schrijven.” Maar een niet te verwaarlozen bijbedoeling van de deelnemers zelf was natuurlijk om Bekende Nederlander Bob den Uyl eens in levende lijve te mogen aanschouwen.
Het was de eerste workshop die ik in mijn leven zou volgen. Afgeschrikt door thema’s als Metamorfosemassage met Johanna Kempers, Esotherisch bouwen met Job van Splunter en Making a couple had ik me tot dit genre vrijetijdsbesteding nooit zo aangetrokken gevoeld. Zodoende had ik ook nauwelijks een beeld voor ogen van wat me bij zo’n USVA-workshop te wachten zou staan. Maar een mens moet stappen durven nemen in z’n leven, en dus meldde ik me dapper aan voor de gebeurtenis die in totaal over drie dagen verspreid zou worden: een weekend, plus een week later een afsluitende zaterdag in het bijzijn van Bob den Uyl.
De eerste ochtend ben ik al te laat, maar vind na enig zoeken de juiste zaal. Aan een grote tafel zitten elf deelnemers al driftig te pennen, onder het wakend oog van workshop-begeleider Dick Kors. Die blijkt later verrast door het feit dat vrijwel alle deelnemers een zekere schrijfervaring op zak hebben, zodat een paar van de door hem gebruikte oefeningen wat in het water vallen. “Vorig jaar hadden we veel mensen die nog nooit geschreven hadden, en die moesten echt een beetje op gang geholpen worden.”
Als eerste opdracht moeten de deelnemers zichzelf voorstellen met een stukje tekst; “Daar krijg je, laten we zeggen, een kwartier voor.” Na dat kwartier leest vervolgens iedereen, nog wat schuchter, zijn of haar produkt voor.
Deze methode bepaalt ook het beeld van de rest van het weekend. Telkens wordt er, vanuit een bepaalde opdracht, een stukje tekst geproduceerd, het liefst in de literaire vorm die centraal staat dit weekend: het korte verhaal. Daarna leest iedereen z’n eigen geesteskind voor aan de rest van de groep. Het leuke daarvan is dat je je telkens weer kunt verbazen over de verscheidenheid aan ideeën en mogelijkheden die mensen tot hun beschikking hebben Maar het groepsproces heeft helaas ook het effect dat (opbouwende) kritiek, zoals beloofd in de advertentietekst van de workshop, geheel uitblijft. Niets is zo moeilijk als het publiekelijk kritiseren van andermans geschreven tekst, op één ding na: het publiekelijk bekritiseerd worden op je eigen geschreven tekst. Dat geldt helemaal als het publiek bestaat uit mensen die elkaar nauwelijks kennen.
Het gevolg is wel dat de deelnemers die zijn gekomen om de techniek, zo die al bestaat, van het schrijven van korte verhalen te leren, vooralsnog bedrogen uitkomen. Aan het eind van het weekend heb ik nog steeds geen enkele aanwijzing of mijn geschriften nu gewaardeerd worden dan wel verafschuwd.
De laatste middag van het weekend moet uitlopen in een soort climax, namelijk het maken van een soort eindprodukt: een kort verhaal dat opgestuurd zal worden naar een meester op dat gebied, Bob den Uyl.
Vele verhalenbundels van hem vonden hun weg naar de boekhandel. Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam werd het best verkocht, volgens Den Uyl vanwege die titel; daarvoor had hij hem tenslotte ook bedacht.
De zaterdag daarop zit de groep, passief nu – schrijven hoeft niet meer , aan tafel met de schrijver. Onder hen ook mensen met duidelijk literaire ambities. Het deskundig commentaar op hun verhalen kan twee effecten gaan hebben; ofwel ze zijn voor hun leven genezen van elke letterkundige ambitie, ofwel ze krijgen dat sprankje erkenning dat hun voor altijd zal laten hopen.
Bob den Uyl, 56 jaar oud, is op het eerste oog niet die eigenzinnige, brutale vreemdeling die je op grond van een deel van zijn verhalen zou verwachten. Hij heeft een langwerpig, wat ingevallen gezicht, met grote oren. Als een echte Den Uyl zet hij z’n kleine zwarte bril telkens op en af, of helemaal voor op z’n neus om er dan weer door-, en dan weer overheen te kunnen kijken. Onder de tafel draait hij trillend shagjes met blauwe rizla, die na een paar keer opnieuw aansteken veranderd zijn in viezige donkerbruine peukjes. Spaarzaam drinkt hij van de inmiddels ijskoud geworden koffie. De woorden komen af en toe moeilijk uit zijn mond. Met regelmaat doet hij zijn best het schrijversvak te presenteren als een zwaar beroep: “Schrijven is zwoegen, je doet het niet voor de lol”.
“Ik mis‘, zo zegt hij, “wel eens dingen uit het maatschappelijke leven. De laatste moppen hoor ik bijvoorbeeld nooit. Dat is ook een van de redenen dat ik hier ben: je ziet weer eens mensen, en je ziet Groningen weer eens”.
Per verhaal trekt hij ongeveer tien minuten uit voor wat kritiek. Het ene verhaal is te onwaarschijnlijk, het andere juist weer te clichématig. Ook valt Den Uyl over het gebruik van wat hij noemt ‘stadhuiswoorden’: een bekende kwaal van schrijvend Nederland, die inhoudt dat dingen die makkelijk gezegd hadden kunnen worden toch moeilijk op papier komen te staan.
“Waarom zou je zeggen: ‘iemand zet zich neder’, als iemand ook kan gaan zitten?”
En Den Uyl grijpt de gelegenheid aan om nogmaals het schrijversleed te onderstrepen: “Schrijven is toch al zo moeilijk, je moet het niet nog moeilijker maken dan het al is”.
Na afloop van het ‘officiële gedeelte’ blijkt er genoeg tijd over te zijn om Bob den Uyl nog over van alles en nog wat aan de tand te voelen. Het lijkt er werkelijk niet toe te doen waarover; het babbelen met Den Uyl is op zichzelf al een belevenis van voldoende omvang. Daardoor blijft het bij wetenswaardigheden als, niet echt verrassend, “vrouw te zijn van een schrijver is geen lolletje”, en een achter de TV-camera’s aan lopende Harrie Mulisch op een schrijversboottochtje over de Rijn.
Uiteindelijk zit maar één opmerking me dwars, al laat ik natuurlijk niets merken.
Regelmatig schrijft Den Uyl reisverhalen in de Volkskrant, die hij dan later pleegt te bundelen. En daarbij verandert hij dan nog wel het een en ander, want bij het schrijven van de eerste versie overheerst volgens Den Uyl toch het gevoel: “Och, ‘t is toch maar voor een krant”.
