Amerikaanse geheime diensten hebben tientallen miljoenen dollars gestoken in onderzoek naar telepathie. Zij hoopten zo op het spoor te komen van ondergrondse raketbases en vijandige regeringsleiders. Ondanks kleine successen wordt de afdeling parapsychologie nu afgebouwd. James Bond prefereert toch zijn technische snufjes.
WAS HET een helderziende Amerikaanse spion die in 1981 de Italiaanse politie feilloos naar de stad en het gebouw leidde waarin de Rode Brigades de Amerikaanse generaal Dozier vasthielden? Of was het toch gewoon geavanceerde foto- en afluisterapparatuur die de ontvoerders uiteindelijk de das omdeed? Dat is de vraag die Amerikanen bezighoudt nadat deze week bekend werd dat hun regering de afgelopen twintig jaar uitgebreid heeft onderzocht of helderziendheid, telepathie en andere paranormale verschijnselen konden helpen bij het behartigen van Amerikaanse belangen in de wereld.
Tijdens een persconferentie die in de Amerikaanse media tot enige opwinding leidde, meldde onderzoeker Jessica Utts dat het regeringsonderzoek van de laatste twee decennia onmiskenbaar heeft aangetoond dat vormen van helderziendheid en telepathie werken. Samen met collega Ray Hyman inventariseerde Utts de experimenten die in opdracht van de Amerikaanse regering zijn gedaan.
Utts, statisticus aan de Universiteit van Californië in Davis, staat overigens niet bekend als scepticus jegens de parapsychologie. Hyman, van de Universiteit van Oregon, toonde zich echter even sceptisch als voorheen.
De regering zelf lijkt zich stilzwijgend bij Hyman aan te sluiten – volgens anonieme bronnen van het persbureau AP zullen de laatste drie parapsychologen in het geheime onderzoekslaboratorium op Fort Mead. bij de stad Washington, binnenkort definitief het licht mogen uitdoen.
Dat de CIA, en later het ministerie van defensie, zoveel energie heeft gestoken in onderzoek naar paranormale gaven, was op zich al een verrassing. Volgens Hyman is, sinds het begin van de jaren zeventig, onder de codenaam Stargate in totaal twintig miljoen dollar aan het onderzoek besteed. Tot 1989 gebeurde dat in opdracht van de CIA door het Stanford Research Institute. Toen de CIA er een punt achter zette, nam de geheime dienst van het ministerie van defensie de fakkel over. Het onderzoek werd verplaatst naar de Science Applications International Corporation, maar de leiding bleef in handen van dezelfde man: Edwin May.
Door de jaren heen werden vele honderden proefpersonen ingezet bij tienduizenden experimenten, die moesten aantonen dat helderziendheid en telepathie meetbare, herhaalbare en bruikbare resultaten opleveren. Op het hoogtepunt was er een afdeling die zes mensen in dienst had.
Dat het onderzoek zon grote vlucht kon nemen, schrijft Utts in haar evaluatie-rapport, kwam waarschijnlijk door drie snelle, incidentele maar opmerkelijke ‘successen. Zo wisten twee personen van een bepaalde plek in West Virginia te melden dat er zich een ondergrondse legerbasis bevond – de details waren dermate accuraat, schrijft Utts, dat er een veiligheidsonderzoek werd gelast naar de manier waarop de gegevens naar buiten waren gekomen.
Dezelfde helderziende wist ook van een plek in de Russische Oeral te melden dat er een ondergrondse legerbasis was – en ook hier was, volgens de CIA, die informatie correct. ‘Op afstand zien’, heette dit soort experimenten, waarin de proefpersonen alleen de coördinaten van een plek op aarde kregen te horen, en op basis daarvan de plaats moesten beschrijven.
Hoewel de resultaten later minder spectaculair waren, werden helderzienden af en toe nog wel ingezet. Zo zouden ze de CIA hebben geholpen bij het lokaliseren van de Libische dictator Gadhaffï – tevergeefs, zo bleek na afloop van het bombardement op zijn paleis. Ook bij het zoeken naar Amerikaanse gijzelaars in Iran en naar plutonium opslagplaatsen in Noord-Korea werden helderzienden ingezet.
Uit het onderzoek van de CIA bleek overigens niet iedereen is even helder ziend: van de zeshonderd door de CIA-onderzoekers geteste proefpersonen waren er zes die duidelijk beter scoorden dan de rest; niet één keer, maar aanhoudend.
Het meeste succes werd volgens Utts geboekt bij vormen van telepathie, waarin een proefpersoon een foto of tekening moet beschrijven die iemand anders in gedachten heeft genomen.
Nadat honderden mensen op deze ‘gave’ waren gescreend, bleven er zes over die bij voortduring beter scoorden dan op grond van toeval is te verwachten. Wanneer zij de keus hebben uit vier plaatjes, hebben zij geen 25 procent maar 33 procent kans op het juiste antwoord.
Om de kans op fraude, onbewuste ‘normale’ beïnvloeding of statistische denkfouten te beperken, kwam in de loop der jaren het ‘Ganzfeld’experiment in zwang. Zulke experimenten zijn met de meest uitbundige waarborgen omgeven, alles om te voorkomen dat informatie via geluid, licht, gevoel of elektromagnetische straling wordt overgedragen.
Twee jaar geleden meldden kritische Amerikaanse psychologen voor het eerst op een openbaar congres dat zij overtuigende resultaten boekten met Ganzfeld-experimenten. Sindsdien hebben ook andere onderzoekers gepubliceerd dat zij dergelijke consistente uitkomsten in zorgvuldig opgezette telepathie-experimenten hebben waargenomen.
De Amsterdamse psycholoog dr Dick Bierman publiceerde dit jaar bijvoorbeeld in de Proceedings of the 38th Annual Parapsychological Convention de uitkomst van in totaal 124 proeven, waarvan 46 treffers – een kans van 37 procent in plaats van 25. Andere onderzoekers vinden vergelijkbare of iets lagere trefkansen. Volgens de regelen van de kunst der statistiek is de kans dat deze aanhoudende afwijking berust op toeval, inmiddels verwaarloosbaar klein.
VOLGENS Utts is het bewijs dat paranormale zintuigen werken daarom nu genoegzaam geleverd. “De experimenten zijn herhaald in verschillende laboratoria in verschillende culturen. Het effect is zo sterk dat – ware het gezien in een ander veld van onderzoek – er door wetenschappers niet meer zou worden getwijfeld aan het werkelijke bestaan ervan.”
In haar rapport pleit Utts er daarom voor om te stoppen met het investeren van schaarse tijd, energie en geld in het leveren van nog meer bewijzen, maar in plaats daarvan te zoeken naar de manier waaróp het werkt.
Hoe kan het dat de aanwezigheid van een ‘zender’ in de telepathie-experimenten helemaal niet nodig lijkt te zijn, en dat de afstand tussen de gebeurtenis en de helderziende geen enkele rol lijkt te spelen?
Maar het enthousiasme van Utts steekt schril af bij de kille conclusie van een vooraanstaand CIA-staflid, dat de experimenten voor de geheime in het verleden kritisch volgde. In een interview voor het televisieprogramma Nightline zei de man, slechts aangeduid met de schuilnaam ‘Norm’: “Het onderzoeksprogramma heeft af en toe interessante, zelfs fascinerende uitkomsten gegeven. Maar afgezien daarvan heeft het meer vragen dan antwoorden opgeleverd.”
Voor geheime diensten blijft het immers moeilijk werken met medewerkers die bovengemiddeld goed gokken – maar er in verreweg de meeste gevallen toch mijlenver naast blijken te zitten.