Menu Close

Evergreens

Wat bezielt zevenduizend mensen (eigen amateur-telling) om op een winderige woensdagavond de vorst te trotseren en gedurende een 8 uur durende chaos het akoestisch geweld van enkele gerenommeerde maar risicoloze popgroepen aan te horen?

Als we de afgeladen Martinihal binnenschuifelen ben ik een beetje overdonderd door de enorme hoeveelheid mensen die zich hierheen heeft begeven. Drie tribunes zijn volgepakt, en ook de ‘vloer’ is volledig gevuld. Overal in het complex staan kraampjes waar bier, frisdrank, patat en zelfs dropjes te koop zijn. Gelukkig zijn we zo verstandig geweest om niet te vroeg te komen, zodat het Amsterdamse Drukwerk ons bespaard blijft.

Op het grote linkerpodium heeft het voltallige Noordelijk Filharmonisch Orkest zich opgesteld, dat onder leiding van Rogier van Otterloo aanvankelijk wat trage, maar later meer pittige klassieke muziek ten gehore brengt. Het laatste repertoire doet een beetje denken aan Veronica’s Muziek voor Miljoenen (Bolero!), en slaat dan ook goed aan bij het Sneeuwpop-publiek. Grappig hoogtepunt vormt een intermezzo van Margriet Eshuis met haar band, die samen met het NFO wat nummers de zaal in slingert, waaronder niet het recente Nuts is geel en rood, maar natuurlijk wel het legendarische ‘House for Sale’. Het is bijna een historisch moment.

De pauzes tussen de verschillende optredens, waarin de podia voor de volgende acts worden opgebouwd, duren lang, en worden gevuld door Disco International, die wat gefrustreerd raakt doordat de kracht van haar geluidsinstallatie in het niet valt bij het geweld van de grote broers. Het publiek krioelt als mieren door elkaar, op weg naar pils, patat of hamburger, of op zoek naar kwijtgeraakte metgezellen. Vele hoofden schuiven voorbij, bekende en onbekende, mooie maar ook lelijke.

Van de eerstvolgende act had ik mij wel wat voorgesteld: een optreden van Herman Brood and his Wild Romance. Tot veler verrassing speelde daarin de (volgens vrienden die het weten kunnen) bekende gitarist Danny Lademacher weer mee. Maar Brood kon het publiek niet echt warm krijgen, behalve dan bij evergreens van zo’n acht jaar geleden als Saturday Night en Doin’ it. Tragiek van een gewezen rock-idool.

Na het ondertussen al bijna vertrouwde ritueel van een massale aanval op de versnaperingen, onder dof gereutel van de discotheek die met actuele hits als Paradise by the dashboard light het publiek tot dansen probeert te bewegen, zullen de Time Bandits ten tonele komen. Het duurt rijkelijk lang voor het zover is, maar daar is gelukkig altijd het excuus van een “technische storing” voor te gebruiken. Het begin van het optreden is meteen al wat genant, en het zet de toon voor de rest van de ‘show’.

Gehuld in dichte rookwolken staan de drie voorste bandleden met de rug naar het publiek, onder de eerste dreigende klanken van hun gitaren of synthesizers die daar op moeten lijken. Dan draaien ze zich tegelijk met een sprongetje om, en komen tot de ontdekking dat het publiek deze truc waarschijnlijk eerder heeft gezien. Vervolgens brengen ze een lange rij dansnummers, die stuk voor stuk vooral slaapverwekkend zijn; op zich een behoorlijke prestatie, maar het heeft wel tot gevolg dat een groot deel van het publiek met de buurman gaat staan keuvelen, met de voortkabbelende kweelmuziek op de achtergrond. Muziek die, dat moet gezegd worden, af en toe wel technisch perfect wordt uitgevoerd.

Maar alleen – het wordt saai – de evergreen Live it Up kan de beentjes wat van de vloer krijgen. En ondertussen verdwijnen de muzikanten met hun plastic image bijna volcontinu in de pompeuze rookwolken die vanaf het podium het publiek in drijven. Er is geloof ik niemand die het echt erg vindt als ze tenslotte helemaal uit het zicht verdwijnen.

Dan treedt de laatste pauze in. De eerste stromen mensen laten de topgroep van de avond voor wat ze is en beginnen huiswaarts te keren. De achterblijvers beginnen moe, zeer moe in de benen te worden, en zoeken in grote getale de schaarse zithoekjes op. De discotheek probeert het nog één keer.

Het merkwaardige mengsel van patat- en hamburgerlucht begint het immense volume van de Martinihal geheel te vullen, evenals de lichaamswarmte van de duizenden aanwezigen. De eerste paartjes beginnen landerig in elkaars armen te hangen. Gelukkig zijn de roadies relatief snel klaar met het voorbereiden van wat de klapper van de avond moet worden, de Golden Earring. Wat ze doen heeft meer weg van het leeghalen van een podium dan van het bouwen ervan. Daardoor worden we verrast door het begin van het optreden tijdens het opslurpen van een hamburger, ergens buiten de zaal.

Erg herkenbare klanken zijn het nog niet, en je zou bijna denken dat het Mai Tai is, de groep waarvan wordt gefluisterd dat ze als speciale verrassing nog zou komen. Maar nee, als we na drie nummers ons weer in de massa wagen laten de overbekende Earring-koppen weinig twijfel meer bestaan. Als vier oudere jongeren staan ze, overigens voor het tweede achtereenvolgende jaar, op het nu bijna lege podium.

Maar ook voor hun geldt, ondanks de uiterst professionele klanken, dat pas bij een nummer als When a Lady Smiles het publiek opveert en reageert. ledereen wacht op de gedoodverfde finale van de avond, het prachtige Radar Love. Maar de Earring houdt de spanning er in; het ritme van het nummer wordt eerst eindeloos uitgesponnen in een basgitaar-solo.

Maar als het dan eindelijk echt begint is het ook goed raak, en wordt het gebracht met een prettig theatraal tintje. Alleen de veel te lange solo van drummmer Ceasar Zuidewijk kan de vaart er halverwege nog even uit brengen. Maar als Radar Love na twintig minuten (!) nog niet afgelopen blijkt te zijn, hebben we er plotseling ook genoeg van. Na zes en een half uur staan en rondsjouwen lokt onweerstaanbaar het bed.

Buiten is het koud en glad. Wat bezielt zevenduizend mensen om op een winderige woensdagavond de vorst te trotseren en gedurende een 8 uur durende chaos te luisteren naar het akoestisch geweld van enkele gerenommeerde maar risicoloze popgroepen? Ik zal eerlijk zijn: ik weet het nog steeds niet.