Menu Close

Ook genetische identificatie lukt niet altijd

DNA valt bij verhitting snel uiteen

AMSTERDAM – Het Gerechtelijk Laboratorium in Rijswijk treft voorbereidingen om stoffelijke resten van slachtoffers in de Bijlmer via DNA-onderzoek te identificeren. Genetische vingerafdrukken zullen worden gebruikt wanneer analyse van het gebit geen eenduidige uitslag oplevert.

Volgens A.D. Kloosterman, werkzaam bij de afdeling Serologie van het Gerechtelijk Laboratorium, zijn inmiddels van alle geborgen lichamen monsters in Rijswijk opgeslagen. Ook van de resten die nog worden gevonden, zal een klein deel voor DNA-onderzoek worden gereserveerd.

Voorlopig zullen de monsters alleen worden opgeslagen. Pas wanneer identificatie via vergelijking van gebitsgegevens onmogelijk blijkt, zal DNA-identificatie als ‘laatste redmiddel’ worden ingezet, aldus Kloosterman.

Dat genetische identificatie niet bij alle stoffelijke overschotten wordt gehanteerd, heeft volgens Kloosterman verschillende redenen. Een daarvan is dat een positieve DNA-identificatie gemiddeld zes weken in beslag neemt, terwijl vergelijking van het gebit van een slachtoffer met gegevens van tandartsen veel sneller en eenvoudiger uitsluitsel kan geven.

Niet van alle stoffelijke resten die gevonden worden zal het bovendien mogelijk zijn een genetische vingerafdruk af te nemen. DNA is een ingewikkelde stof, die bij hoge temperaturen snel uiteen valt. Wanneer weefsel meer dan een kwartier heeft doorgebracht in een temperatuur van meer dan 100°C, kan worden aangenomen dat geen volledig DNA-molecule meer gevonden zal worden. Van slachtoffers die lange tijd in de vuurhaard hebben gelegen, waar temperaturen van duizenden graden Celsius hebben geheerst, is daarom geen genetische vingerafdruk af te nemen. Lichamen die aan de oppervlakte zijn verbrand, maar binnenin minder sterk verhit zijn geweest, kunnen nog wel voor DNA-identificatie geschikt zijn.

De lichamen die tot en met gistermorgen zijn geborgen, zijn relatief intact gebleven, en zullen dus voor genetische identificatie weinig problemen opleveren, vermoedt Kloosterman.

Straatsburg

Het is niet de eerste keer dat genetische vingerafdrukken worden gebruikt bij de identificatie van slachtoffers van een vliegramp. Ruim een jaar geleden zijn, toen een Frans vliegtuig nabij Straatsburg neerstortte, verschillende passagiers via hun DNA geïdentificeerd.

Bij de ramp in de Bijlmermeer zullen de onderzoekers van het Gerechtelijk Laboratorium wel op grote problemen stuiten. Een genetische vingerafdruk leidt alleen tot identificatie, wanneer hij kan worden vergeleken met die van een kind of een ouder van het slachtoffer. Wanneer metterdaad tot DNA-onderzoek zal worden overgegaan, zullen eerstegraads verwanten van de vermisten dus wat bloed of wangslijm voor het onderzoek moeten afstaan. Onbekende slachtoffers, waarvan zulke verwanten niet bekend zijn, kunnen via het DNA niet worden geïdentificeerd. Wanneer hele gezinnen zijn omgekomen, of wanneer meer kinderen van een ouderpaar worden vermist, zal DNA-onderzoek alleen ook geen uitsluitsel kunnen geven.

Een ander probleem is, dat voor een betrouwbare identificatie gegevens beschikbaar moeten zijn over de genetische samenstelling van de bevolkingsgroep waaruit het slachtoffer afkomstig is. Voor slachtoffers uit Nederland is die informatie bij het laboratorium in Rijswijk bekend. Gegevens over bevolkingsgroepen in andere landen, zoals Suriname of Ghana, zijn veel moeilijker te achterhalen, of zelfs geheel onbekend.

Een genetische vingerafdruk berust op het voorkomen van stukjes DNA waarvan vele varianten in omloop zijn. Het overgrote deel – circa 99,9 procent – van het menselijke DNA is bij iedereen gelijk. Er zijn inmiddels enkele duizenden stukjes bekend die bij verschillende mensen een verschillende lengte hebben.

Streepjescode

Via ingewikkelde procédés kunnen deze lengteverschillen als een ‘streepjescode’ zichtbaar worden gemaakt. Wanneer bij twee mensen zo’n streepje op dezelfde plaats opduikt, bestaat er nog een kleine kans dat die overeenkomst op toeval berust. Maar wanneer de gelijkenis op vier of vijf stukken DNA telkens weer opduikt, kan die kans worden gereduceerd tot één op duizenden of zelfs miljoenen.

De DNA-sectie van de afdeling Serologie van het Rijswijkse laboratorium heeft zes medewerkers. De afdeling vergelijkt ten behoeve van strafzaken ongeveer honderd genetische vingerafdrukken per jaar. Wanneer zou blijken dat vele slachtoffers via DNA-onderzoek geïdentificeerd moeten worden, zal de procedure een lange tijd in beslag kunnen nemen.

De stoffelijke resten die worden geborgen, worden voorlopig overgebracht naar een hangar op Schiphol. Experts van het Nederlandse Rampen-identificatieteam verzamelen daar zo veel mogelijk informatie, zoals het geslacht en de lengte van het slachtoffer, alsmede eventuele littekens of andere bijzondere kenmerken.

Related Posts